Elke paar maanden duikt dezelfde tip weer op in je Instagram-feed: train zwaar in de eerste helft van je cyclus en bouw af in de luteale fase, want je hormonen bepalen hoe sterk je bent. Basic-Fit schreef er in maart nog een blog over, en de grote fitnessketens noemen cyclus-gestuurd trainen een van de trends van dit jaar. Het klinkt logisch. Maar als je de onderzoeken erbij pakt, blijkt het verhaal een stuk minder eenduidig.
Wat de trend precies belooft
De gedachte achter cyclus-gestuurd trainen is simpel: in de folliculaire fase (vanaf de eerste dag van je menstruatie tot de eisprong) stijgt oestrogeen, en dat zou je meer energie en herstelcapaciteit geven. In de luteale fase daarna neemt progesteron toe, wat vermoeidheid en een hogere lichaamstemperatuur met zich meebrengt. Apps en coaches raden dan ook aan om in de eerste fase zwaarder te trainen en in de tweede fase te focussen op techniek, mobiliteit of rustigere duurtraining.
Het probleem is niet dat deze fysiologie niet klopt. Oestrogeen en progesteron schommelen inderdaad, en dat is meetbaar. De vraag is of die schommeling groot genoeg is om je trainingsschema structureel om te gooien.
Waarom dit nog steeds onduidelijk is
Dat er nog geen harde conclusie ligt, heeft ook een geschiedenis. Sportwetenschap is lange tijd vooral onderzoek naar mannelijke fysiologie geweest. Vóór de jaren tachtig was minder dan een op de vijf proefpersonen in bewegingsonderzoek vrouw, simpelweg omdat hormonale schommelingen door onderzoekers als een lastige variabele werden gezien die metingen "vervuilde". Het gevolg is dat trainingsadviezen decennialang gebaseerd zijn op data van mannen, en dat onderzoek naar vrouwenlichamen pas de laatste jaren echt op gang komt. De cyclus-trend in de fitnessbranche is dus deels een reactie op een reëel gat in de wetenschap, maar de oplossing die apps en coaches nu verkopen, loopt op veel punten voor de feiten uit.
Wat groot onderzoek wel en niet laat zien
Een narratieve review die studies tussen 2010 en mei 2026 samenvat, vond geen consistente verschillen in kracht, sprintvermogen of duurprestatie tussen de cyclusfasen. Op groepsniveau is er simpelweg geen bewijs dat iedereen in de luteale fase slechter presteert. Een studie die in 2026 werd gepresenteerd op de ACSM Health and Fitness Summit, onder 148 zeer actieve vrouwen, bevestigt dat beeld vanuit een andere hoek: hoe de vrouwen zich voelden veranderde wel gedurende de cyclus, maar hoe ze daadwerkelijk trainden niet. Motivatie zakte en vermoeidheid steeg vooral in de late luteale fase en tijdens de menstruatie zelf, zonder dat de trainingsprestatie daadwerkelijk instortte.
Dat sluit aan bij wat we ook zien bij onderzoek naar VO2 max: uithoudingsvermogen is grotendeels een product van consistente, opgebouwde training, niet van de timing binnen één maand.
Waar het wel verschil kan maken
Dat groepsgemiddelden gelijk blijven, betekent niet dat niemand iets merkt. Een zes maanden durende studie onder acht elite gewichtheffers, gepubliceerd in het Journal of Science and Medicine in Sport, vond geen directe invloed van de cyclusfase op de squatprestatie, met één uitzondering: bij een gematigde trainingsbelasting daalde de kracht merkbaar in de late luteale fase. Een kleinschalig onderzoek onder tien basketbalsters zag juist grote individuele verschillen, met sommige speelsters die duidelijk gevoeliger waren voor cyclusfase dan andere.
Een kwalitatieve studie van onderzoekers van Northumbria University en Swansea University, gepubliceerd in PLOS One in juni 2026, bevestigt dat patroon. Twintig competitieve wielrensters werden geïnterviewd over hun ervaringen, en die liepen enorm uiteen: de ene voelde zich tijdens haar menstruatie juist sterker, de andere kreeg pas in de luteale fase last van vermoeidheid en opgeblazen gevoel. Veel van hen voelden zich bovendien niet vrij om dit met hun coach te bespreken, terwijl die informatie wel relevant was voor hun trainingsplanning. Dat laatste is misschien wel de belangrijkste conclusie uit het hele onderzoeksveld: niet de cyclus zelf is het grootste probleem, maar het feit dat er te weinig over gepraat wordt tussen sporter en begeleider.
Nederlands onderzoek loopt nog
In Groningen loopt sinds eind 2024 een observationele studie van het Martini Ziekenhuis, geregistreerd als NCT06634134. Via de JOIN-fietsapp houden deelneemsters hun cyclus en trainingsdata bij, met als doel te achterhalen of trainingsefficiëntie, vermogen en motivatie daadwerkelijk samenhangen met de cyclusfase. De studie moet uiteindelijk 750 vrouwen bevatten en loopt door tot begin 2028. Tot die resultaten binnen zijn, blijft het antwoord voorlopig: het verschilt per persoon, en de wetenschap is nog niet klaar met uitzoeken hoeveel en waarom.
Dat individuele verschil past ook bij wat blijkt uit onderzoek naar afwisseling in sport: lichamen reageren niet allemaal hetzelfde op dezelfde prikkel, en dat geldt dus ook voor de maandelijkse hormonale cyclus.
Dit doe je morgen anders
Gooi je trainingsschema niet om op basis van een algemene cyclus-kalender uit een app. Houd in plaats daarvan een paar maanden bij hoe je je voelt op verschillende dagen van je cyclus, naast je gewone trainingslogboek. Zie je zelf een duidelijk patroon, pas dan je eigen schema aan. Zie je niets, dan is er ook geen reden om een zwaardere krachttraining te laten staan omdat een app dat voorschrijft.
Belangrijker dan de timing binnen je cyclus blijft de opbouw over weken en maanden heen. Uit onderzoek naar het optimale aantal uren krachttraining blijkt dat consistentie meer oplevert dan het perfect timen van elke sessie. Luister naar je lichaam op de dag zelf, maar bouw je schema op de langere termijn op, en laat je niet gek maken door een trend die wetenschappelijk nog niet is uitgekristalliseerd.